De Japanse sierkers en ander bijzonder stadsgroen

Ik ben een geboren en getogen Amsterdamse die het maar niet lukt om de grote stad te verlaten. Vaak wordt mij gevraagd of ik vanwege mijn voorliefde voor flora en fauna niet liever op het platteland zou wonen. Ja en nee, is daarop mijn antwoord. Ik ben hier eigenlijk heel gelukkig. Tuurlijk zou ik dolgraag mijn eigen kruidentuin willen, maar ik sta op de wachtlijst voor een volkstuin van een enorme hoeveelheid vierkante meters en ik kijk vol vertrouwen uit naar het moment waarop ik m’n handen daar uit de mouwen mag gaan steken. Overigens sluit ik niet uit dat ik over een paar jaar toch de stad uit ga, maar nu nog even niet.

De voornaamste reden om de stad niet te verlaten is dat er legio geneeskrachtige planten en bomen in Amsterdam groeien en bloeien. Veel kruiden houden juist van de aanwezigheid van mensen, geloof het of niet. Ze zijn er ook om ons te dienen, dus waarom zouden ze verstoppertje gaan spelen. Neem Kaasjeskruid, groeit vooral in de stad. Neem Stinkende Gouwe, je hoeft je maar naar een gevel om te draaien en daar staat hij! En zo zijn er nog veel meer… De stad plant ook steeds vaker perkjes aan met Echinacea purpurea, Asters, Oost-Indische kers, Longkruid, misschien niet de meest schone grond om in het wilde weg te gaan plukken, maar als Guldenroede en Duizendblad er ook kans krijgen om te groeien (en niet worden om gemaaid) dan wordt de grond vanzelf met de tijd gereinigd.

De stinkvruchten van Gingko biloba

Ik ben ook erg onder de indruk van de hoeveelheid uitzonderlijke bomen en struikgewassen die de Amsterdamse straten en parken tellen. De grote hoeveelheid verschillende bomen is een ware trots van deze stad, zo heb ik met de tijd mogen ontdekken. In de straat bij mij om de hoek staan twee lange rijen Gingko biloba (ook wel de Japanse tempelboom genoemd), wat in de herfst overigens voor grappige taferelen zorgt. Ik zal je vertellen waarom. De Gingko biloba is twee-huizig, dat wil zeggen dat er mannelijke en vrouwelijke (vruchtdragende) bomen zijn. Nu is het zo dat de Gingko een sterke reiniger is, hij zuivert uitlaatgassen, en daarom worden deze bomen steeds vaker in de stad aangeplant. Nu is het ook zo dat de vrouwelijke bomen in de herfst een ongelofelijke hoeveelheid licht oranje vruchten laten vallen en die stinken naar een mengeling van overgeef en diarree. Vanwege dat laatste kiezen steden er daarom vaak voor om mannelijke bomen aan te planten, maar Gingko kan met de jaren van geslacht verwisselen! Wow. Ja. En dat is dus met een aantal van die bomen bij mij om de hoek gebeurt. Het resultaat is dat ik in de herfst een aantal maanden met een omweggetje van en naar m’n huis ga. Die arme mensen die in de Gingko biloba straat zelf wonen hebben het er maar mee te doen.

De Japanse sierkers

Om maar in de Japanse sferen te blijven wil ik het ook erg graag even hebben over de Japanse sierkers ‘Prunus subhirtella’. Ook die zie ik steeds vaker in parken voorbij komen en in eerste instantie dacht ik dat de natuur weer eens grondig in de war was. De Japanse sierkers hoort bij de Rozenfamilie en in tegenstelling tot zijn broertjes en zusjes (denk aan Appel, Braam, Framboos en Amandel) staat de sierkers niet in het voorjaar in de bloesem, maar in het midden van de winter… en wel herhaaldelijk tussen November en April. Daarom wordt hij ook wel ‘Autumnalis rosacea’ genoemd: herfst roos, of ‘winterkers’. In tegenstelling tot veel andere Roosachtigen draagt de sierkers ook geen vruchten, vandaar ook de toevoeging van het woord ‘sier’; de Japanse sierkers is daarom in principe niet interessant voor wildplukkers. Ze is vooral heel mooi. Overigens is het wel een interessante soort om in een voedselbos aan te planten, het is een boom die niet veel hoger wordt dan 8m en makkelijk in de omgang, zolang de grond maar genoeg waterdoorlatend is. De Japanse sierkers heeft een voorkeur voor half schaduw, dus kan goed gedijen tussen de hoge bomen en de laagbloeiers (de zogenaamde Zone 2 die van vitaal belang is voor het gezond functioneren van ecosystemen).

Vanwege haar schoonheid en bijzondere bloeiwijze is de Japanse sierkers in stadsparken dus ook erg in trek, het zorgt voor een mooi tafereel. Als ik nu het dichtstbijzijnde park in wandel dan zie ik her en der lichtroze plukjes tussen de verder kale takken. In de verte kan je de Japanse sierkers al trots zien staan, tegen een achtergrond van het roestbruine blad van omringende bomen.

Japanse sierkers (Prunus subhirtella)

De Kaukasische vleugelnoot

In een ander park bij mij in de buurt staan langs brede oevers grote partijen Kaukasische vleugelnoot (Pterocarya fraxinifolia), ook wel gevleugelde notenboom. Eens in de zoveel tijd moet ik er weer even naar terugkeren, vanwege haar oh zo bijzondere verschijning. Het is een boom die veel publiek aantrekt en dat komt met name omdat de takken veelal horizontaal groeien en vaak dermate gaan afhangen dat de boom zelf half omkiepert (maar wel gewoon doorgroeit!). Dit maakt het een aanlokkelijke klimboom. Ik zie er ook vaak mensen ringen in hangen om te sporten, al weet ik niet of de vleugelnoot dat zo leuk vindt. Als familie van de Okkernoot heeft de Vleugelnoot ook de neiging tot ‘bloeden’, met name in de lente, maar waar dit voor de Okkernoot fataal kan aflopen lijkt de Vleugelnoot hier beter tegen bestand, mits er sprake is van deskundig snoeibeleid. Zo niet, dan ontstaan er snoeiwonden die indrogen maar niet goed helen.

De Vleugelnoot neemt veel ruimte in beslag en is solitair, en daarom niet zo geschikt om in bossen vlak naast andere bomen of langs straten aan te planten. Pterocarya fraxinifolia doet het het beste naast grote waterpartijen waar hij de ruimte heeft om voedingsstoffen in de wortels op te slaan, die dan ook een enorm ondergronds netwerk gaan vormen. De bovengronds snel uitdijende stam en veelheid aan takken die alle kanten op groeien is hier tevens een reflectie van. De Vleugelnoot kan zich heel snel uitbreiden, vandaar ook dat regelmatig snoeien wel gewenst is. Als ik mij tussen de Vleugelnoten bevind dan is het een wirwar van takken die je tegemoet komen, en oppassen geblazen dat je niet over de dikke wortels struikelt terwijl je het geheel boven je in verwondering gadeslaat. Echt een ervaring. Aan het begin van de zomer ontwikkelen zich de hangende bloemaren, die opvallen door hun lengte en vorm. De bloem zelf is onopvallend citroengeel en ontwikkelt zich na de bloei tot een (hoe kan het ook anders) gevleugelde noot.

Kaukasische vleugelnoot (Pterocarya fraxinifolia)

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *